Bondige bespreking


Urinecultuur als twijfelachtig instrument om de oorzaak van aspecifieke klachten bij ouderen op te sporen


  • 1
  • 1
  • 1
  • 1



28 11 2012

Duiding van
Sundvall PD, Ulteryd P, Gunnarsson RK. Urine culture doubtful in determining etiology of diffuse symptoms among elderly individuals: a cross-sectional study of 32 nursing homes. BMC Fam Pract 2011;12:36.


Besluit
Uit deze cross-sectionele studie kunnen we besluiten dat het opsporen van bacteriurie weinig of geen nuttige informatie oplevert bij bewoners van een rusthuis die verschillende aspecifieke klachten vertonen.



 

 

De prevalentie van bacteriurie in RVT’s ligt tussen 25 en 50% bij vrouwen en tussen 15 en 40% bij mannen (1). Door de hoge prevalentie van asymptomatische bacteriurie is het bij bejaarden vaak moeilijk om nieuwe of toegenomen aspecifieke klachten zoals onrust, vermoeidheid, verwardheid, agressie, “gevoel niet zichzelf te zijn”, dysurie, urgency en koorts in verband te brengen met een eventuele aanwezige bacteriurie. Het denken aan een urineweginfectie als oorzaak van aspecifieke klachten is nochtans de belangrijkste reden voor het geven van antibiotica bij bejaarden in het rusthuis en draagt waarschijnlijk bij tot toenemende resistentie (2).

 

In een recente cross-sectionele studie (3) in 32 rusthuizen in zuidwest Zweden werd bij 651 bejaarden zonder verblijfcatheter (74% vrouwen, gemiddelde leeftijd 86 jaar voor vrouwen en 82 voor mannen; 15% diabetes) en onafhankelijk van het al dan niet hebben van klachten, een urinestaal voor dipstick en urinecultuur afgenomen. Hoewel het bij voorkeur ging om ochtend mid-stream urine wordt de verhouding tussen ochtend- en dagstalen nergens vermeld. Na de afname moesten de verpleegkundigen bij de bewoners algemene en urinaire klachten van de afgelopen drie maanden navragen. Bij deze registratie is informatiebias niet uitgesloten: Waren de verpleegsters en a fortiori de (oudere) patiënten in staat om zich klachten van 3 maanden geleden nog te herinneren? Bovendien moeten we ons afvragen wat de klinische relevantie is van het afnemen van een urinestaal voor klachten die al drie maanden bestaan. Behalve koorts die alleen de laatste 7 dagen mocht optreden, is het voor andere symptomen immers niet duidelijk of het gaat over een bestendig aanwezig zijn of een verandering (toename) ervan gedurende de laatste drie maanden. Ook het voorkomen van meer dan één klacht kan de resultaten vertekenen, alhoewel het voorkomen van meerdere klachten samen eerder uitzonderlijk was. In totaal was 32% van de stalen positief. De prevalentie van bacteriurie bij onrust bedroeg 39%, 41% bij vermoeidheid, 45% bij verwardheid, 39% bij agressie, 60% bij ‘niet zichzelf zijn’, 42% bij dysurie, 42% bij urgency en 50% bij koorts. Na een logistische regressie-analyse vond men alleen voor ‘niet zichzelf zijn’ een significante Odds ratio van 4,4 (95% BI van 1,5 tot 13; p=0,008) voor het hebben van een positieve cultuur met E. coli en een Odds ratio van 3,3 (95% BI van 1,1 tot 9,9; p=0,03) voor het hebben van een positieve kweek met eender welke bacterie. Interessant waren ook de resultaten voor urinaire symptomen zoals dysurie en urgency: de Odds ratio’s bedroegen resp. 1,4 (95% BI van 0,43 tot 4,6) en 1,7 (95% BI van 0,85 tot 3,5) voor een positieve cultuur met eender welke bacterie, wat betekent dat er geen statistisch significant verband was tussen urinaire symptomen en bacteriurie.

De resultaten van deze Zweedse studie suggereren dat het klachtenpatroon van cystitis zo specifiek is dat testen eigenlijk overbodig zijn (4). Spijtig dat in deze studie niets wordt gedaan met de verzamelde informatie van de dipstick (vooral nitrieten) en we deze stelling dus niet kunnen toetsen. Interessant in dit verband is ook het eerder in Minerva besproken artikel van Little (5) waaruit blijkt dat bij niet-bejaarde vrouwen (gemiddelde leeftijd 42 jaar) met cystitis een uitgesteld (48 u) antibioticumgebruik geen invloed had op de ernst en de duur van de klachten na vier dagen. De eerder in Minerva besproken studie (6) betreffende 3 of 7 dagen behandeling bij oudere vrouwen (n=183, gemiddelde leeftijd 79 jaar) met een ongecompliceerde urineweginfectie kunnen we met de gegevens van deze studie ook anders interpreteren. Zoals de duider aangaf komt het niet zozeer aan op de bacteriologische eradicatie van de urine maar is een symptoomcontrole belangrijker. De stelling van de aanbeveling (7) dat asymptomatische bacteriurie geen behandeling met antibiotica vergt is met deze studies onrechtstreeks ondersteunt, maar tevens suggereert de studie van Sundvall dat vage klachten bij de bejaarde patiënt eerder zelden het gevolg zijn van een urineweginfectie en dat het resultaat van een urinekweek als asymmetrisch argument beschouwd kan worden: beperkte positief aantonende kracht, maar bij een negatieve kweek is een infectie vrijwel uitgesloten.

 

Besluit

Uit deze cross-sectionele studie kunnen we besluiten dat het opsporen van bacteriurie weinig of geen nuttige informatie oplevert bij bewoners van een rusthuis die verschillende aspecifieke klachten vertonen.

 

 

Referenties

  1. Nicolle LE. Urinary tract infections in long-term-care facilities. Infect Control Hosp Eidemiol 2001;22:167-75.
  2. Nicolle LE. Strausbaugh LJ, Garibaldi RA. Infections and antibiotic resistance in nursing homes. Clin Microbiol Rev 1996;100:1-17.
  3. Sundvall PD, Ulteryd P, Gunnarsson RK. Urine culture doubtful in determining etiology of diffuse symptoms among elderly individuals: a cross-sectional study of 32 nursing homes. BMC Fam Pract 2011;12:36.
  4. Bent S, Nallamothu BK, Simel DL, et al. Does this woman have an acute uncomplicated urinary tract infection? JAMA 2002;287:2701-10.
  5. Heytens S, Christiaens T. Vijf verschillende beleidsopties voor de behandeling van urineweginfecties bij vrouwen. Minerva 2010;9(10):116-7.
  6. De Backer D, Christiaens T. Behandeling van urineweginfecties bij oudere vrouwen: 3 versus 7 dagen. Minerva 2005;4(7):106-7.
  7. Christiaens T. Callewaert L, De Sutter A; Van Royen P. Aanbeveling voor goede medische praktijkvoering: cystitis bij de vrouw. Huisarts Nu 2000;29:281-97.
Urinecultuur als twijfelachtig instrument om de oorzaak van aspecifieke klachten bij ouderen op te sporen

Auteurs

De Cort P.
Academisch Centrum voor Huisartsgeneeskunde, KU Leuven

Woordenlijst



Commentaar

Commentaar