Bondige bespreking


Preventie van incontinentie: is training van de bekkenbodemspieren effectief?


  • 0
  • 0
  • 0
  • 0



15 09 2013

Duiding van
Boyle R, Hay-Smith EJ, Cody JD, Mørkved S. Pelvic floor muscle training for prevention and treatment of urinary and faecal incontinence in antenatal and postnatal women. Cochrane Database Syst Rev 2012, Issue 10.


Besluit
Deze systematische review van goede methodologische kwaliteit toont aan dat bekkenbodemspiertraining alleen nuttig is als ze intensief toegepast wordt in de late zwangerschap. In de huidige richtlijnen komt alleen de behandeling van een bestaande incontinentie aan bod.


 


Tekst onder de verantwoordelijkheid van de Franstalige redactie

 

 

Bij de bespreking van een meta-analyse (2012) over het nut van verschillende urinaire spasmolytica, geregistreerd voor de behandeling van niet-neurologische urge-incontinentie, besloten we dat de effectgrootte voor de werkzaamheid gering is (urinecontinentie bij 1 vrouw op 5), dat we niet beschikken over gegevens op het vlak van werkzaamheid en veiligheid op lange termijn en dat er tussen de urinaire spasmolytica onderling geen verschil bestaat (1,2).

In een andere bespreking stelden we vast dat hormonale substutitietherapie een ongunstig effect heeft op urine-incontinentie (3). In beide duidingen wezen we erop dat perineale spieroefeningen de eerste keuze zijn voor de behandeling van stress- of gemengde incontinentie. Dat stemt ook overeen met het besluit van een systematische review die we besproken hebben in Minerva (4,5): bekkenbodemspier- en blaastraining hebben een gunstig effect op het herstel en het behoud van urinecontinentie bij vrouwen.

 

In 2012 publiceerde de Cochrane Collaboration een meta-analyse over de werkzaamheid van perineale spieroefeningen voor de preventie en de behandeling van urine- en fecale incontinentie bij vrouwen vóór en na de bevalling (6). Uit prevalentiestudies bleek dat na de bevalling 1/3 van de vrouwen last heeft van urine-incontinentie (7) en 2 tot 6% van fecale incontinentie bij een eerste bevalling (8). De Cochrane-auteurs zochten voor hun meta-analyse uitgebreid in de klassieke databanken en aanvullend manueel naar RCT’s of quasi-gerandomiseerde studies die het effect van bekkenbodemspiertraining vergeleken met geen oefeningen of met de gebruikelijke pre- en postnatale zorg. Ze onderzochten nauwkeurig de methodologische kwaliteit van de studies. Uiteindelijk includeerden ze 22 studies met 8 485 vrouwen (4 231 in de oefeningengroep en 4 254 in de controlegroep).

De auteurs stellen vast dat bij vrouwen die voor de eerste maal bevallen, bekkenbodemspiertraining een preventief effect heeft op urine-incontinentie tot 6 maanden na de bevalling (5 studies): RR 0,71; 95% BI van 0,54 tot 0,85. Er is vooral een gunstig effect bij vrouwen met of zonder symptomen van urine-incontinentie die op het einde van de zwangerschap de oefeningen doen: RR 0,74; 95% BI van 0,58 tot 0,94. Bij vrouwen met persisterende postnatale urine-incontinentie zijn er 12 maanden na de bevalling aanwijzingen dat postnatale bekkenbodemspiertraining effectiever is dan geen behandeling of dan de gebruikelijke postnatale zorg: RR 0,60; 95% BI van 0,35 tot 1,03. De meest intensieve oefenprogramma’s leken ook het meest effectief.

De auteurs besluiten dat het preventieve effect van bekkenbodemspiertraining groter zou kunnen zijn bij specifieke groepen zwangere vrouwen, bv. bij een eerste zwangerschap, bij vrouwen met hypermobiliteit van de blaashals in de vroege zwangerschap, een grote baby, of een bevalling met forceps. Deze veronderstellingen vragen om bevestiging.

Voor de preventie van urine- of fecale incontinentie op langere termijn is de werkzaamheid van bekkenbodemspiertraining weinig onderbouwd.

 

Besluit

Deze systematische review van goede methodologische kwaliteit toont aan dat bekkenbodemspiertraining alleen nuttig is als ze intensief toegepast wordt in de late zwangerschap. In de huidige richtlijnen komt alleen de behandeling van een bestaande incontinentie aan bod.

 

 

Referenties

  1. Chevalier P. Urge-incontinentie: wat is het nut van urinaire spasmolytica? Minerva 2012;11(9);106-7.
  2. Shamliyan T, Wyman JF, Ramakrishnan R, et al. Systematic review: benefits and harms of pharmacologic treatment for urinary incontinence in women. Ann Intern Med 2012;156:861-74.
  3. Chevalier P. Hormonale substitutie: niet effectief bij urinaire incontinentie? Minerva 2005;4(7):108-10.
  4. Chevalier P. Urine-incontinentie bij vrouwen: niet-chirurgische behandelingen. Minerva 2008;7(7):102-3.
  5. Shamliyan TA, Kane RL, Wyman J, Wilt TJ. Systematic review: randomized, controlled trials of nonsurgical treatments for urinary incontinence in women. Ann Intern Med 2008;148:459-73.
  6. Boyle R, Hay-Smith EJC, Cody JD, Mørkved S. Pelvic floor muscle training for prevention and treatment of urinary and faecal incontinence in antenatal and postnatal women. Cochrane Database Syst Rev 2012, Issue 10.
  7. Mørkved S, Bø K. Prevalence of urinary incontinence during pregnancy and postpartum. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 1999;10:394-8.
  8. Eason E, Labrecque M, Marcous S, Mondor M. Anal incontinence after childbirth. CMAJ 2002;166:326–30.
Preventie van incontinentie: is training van de bekkenbodemspieren effectief?



Commentaar

Commentaar