Tijdschrift voor Evidence-Based Medicine



Editoriaal: Sociaal-economische ongelijkheid, medisch zorggebruik, gezondheid en de illusie van globaliteit


  • 0
  • 0
  • 0
  • 0



Minerva 2006 Volume 5 Nummer 7 Pagina 103 - 103



Welke factoren bepalen hoe vaak mensen een beroep doen op medische zorgen en meer of minder specialisten of huisartsen raadplegen? Verschillende auteurs bogen zich reeds over deze vraag. Recent publiceerden Van Doorslaer et al. hierover een onderzoek in 21 landen van de OESO (1). Zij stellen vast dat het inkomensniveau bepalend is voor de frequentie van raadplegingen bij artsen in het algemeen (huisartsen en/of specialisten). Personen met een hoger inkomen raadplegen in de helft van deze landen vaker een arts. Als we alleen de raadplegingen bij de huisarts bekijken, verdwijnt het verschil. Mensen met een lager inkomen consulteren even vaak een huisarts als diegenen met een hoger inkomen, met uitzondering van enkele regio’s waar minder gegoede personen frequenter contact hebben met de huisarts. Het onderzoek gaat over het aantal contacten en niet over andere criteria, zoals de duur van het contact. Na controle van de te verwachten medische zorg in functie van de leeftijd en de gezondheidstoestand (door de patiënt zelf ingeschat) raadplegen mensen met een hoger inkomen meer, en in verschillende landen ook vaker, specialisten.

Staat het frequenter raadplegen van een arts garant voor een betere gezondheid? Met andere woorden: wat is het aandeel van een hoger medisch zorggebruik in het geheel van elementen die bepalend zijn voor de gezondheidstoestand? Minder beroep doen op een specialist zou kunnen betekenen dat men minder investeert in zijn gezondheid, maar het zou ook kunnen wijzen op het minder ernstig inschatten van bepaalde tekenen en symptomen. Een andere mogelijke verklaring is dat men enkel nood heeft aan het oplossen van een concreet en actueel probleem (of enkel hiertoe in staat is), wat we vooral zien bij mensen die leven in marginale omstandigheden. Raadplegingen beperken zich in dat geval tot een duidelijk, onmiddellijk op te lossen probleem, met als gevolg dat het voor artsen vaak moeilijk is te komen tot wat zij beschouwen als een globale aanpak van de gezondheid. In Minerva beschreven we reeds een verband tussen de (kortere) consultatieduur bij de huisarts en de (slechtere) sociale omstandigheden van de patiënt (2). In een meer complexe of minder toegankelijke gezondheidszorg zijn mensen met een hoger inkomen, met in het algemeen een hoger opleidingsniveau, beter in staat de weg naar de voorzieningen te vinden. Hun hogere opleidingsniveau zou ook een motivatie kunnen zijn om meer te investeren in hun gezondheid, wat leidt tot een hoger medisch zorggebruik (3). Van Doorslaer toont ook aan dat bij meer vermogende patiënten een hoger opleidingsniveau samengaat met een betere toegang tot de gezondheidszorg voor het aantal raadplegingen bij de specialist (1). De Belgische Gezondheidsenquête bevestigt dit gegeven (4).

Wanneer verschillende elementen in rekening worden gebracht, vermindert het verband tussen de sociaaleconomische toestand en de gezondheidsstatus, maar het verdwijnt niet (5). De Gezondheidsenquête in België toont dat rijkere mensen minder chronische aandoeningen, minder depressie en minder somatische klachten hebben (4). Het lijkt dus belangrijk om onze reflecties niet te beperken tot één aspect van de toegang tot de gezondheidszorg, namelijk de financiële drempel. Zelfs indien we als arts streven naar een zo optimaal mogelijke gezondheidstoestand van de patiënt, volgens de definitie van de WGO, zijn er toch belangrijke beperkingen aan onze mogelijkheden als zorgverstrekker. Multidisciplinair samenwerken is dan zinvol, maar kan evenmin andere belangrijke elementen oplossen die de gezondheid beïnvloeden (materiële of structurele omstandigheden, aard van het werk, het al of niet werkloos zijn). Gezondheid in zijn globaliteit overstijgt het werkveld van gezondheidswerkers. We komen dan op het domein van onze verantwoordelijkheid als ‘burgers’ en dus in een zeer breed sociaaleconomisch kader. Tot op welk niveau moeten artsen hierin investeren? Iedere zorgverstrekker stelt zich hierin individueel verschillend op. Persoonlijke reflectie is permanent nodig in de beslissingen die we dagelijks nemen en die financiële implicaties hebben voor onze patiënten, voor de sociale zekerheid en voor de hele maatschappij. Zijn we ons als artsen voldoende bewust van die implicaties op de gezondheid van onze patiënten?

P. Chevalier en K. Soenen

 

  

Literatuur

  1. Van Doorslaer E, Masseria C, Koolman X; OECD Health Equity Research Group. Inequalities in access to medical care by income in developed countries. CMAJ 2006;174:177-83.
  2. De Jonghe M, Roland M. Sociaal-economische evidentie opnemen in klinische richtlijnen. Minerva 2004;3(8):120.
  3. Hurley J, Gignon M. Income and equity of access to physician services. CMAJ 2006;174:187-8.
  4. Bayingana K, Demarest S, Gisle L et al. Gezondheidsenquête België 2004. Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid. Reports nr 2006–035.
  5. Willems S. The socio-economic gradient in health: a neverending story? A descriptive and explorative study in Belgium [Dissertation]. Gent: Department of General Practice and

 

Editoriaal: Sociaal-economische ongelijkheid, medisch zorggebruik, gezondheid en de illusie van globaliteit

Auteurs

Chevalier P.
médecin généraliste

Soenen K.
Minerva

Woordenlijst



Commentaar

Commentaar