Editoriaal
|
Minerva
2005;4(7):103-
PDF |
|
Maakt EBM polyfarmacie onvermijdelijk? |
|
|
|
Over de definitie van
polyfarmacie is men het (nog) niet eens. Sommigen hanteren een kwantitatieve
norm en leggen de grens vanaf vijf geneesmiddelen; anderen houden het bij de
kwalitatieve benadering, waarbij de nadruk ligt op het gebruik van meer geneesmiddelen
dan klinisch aangewezen is (1). |
|
|
|
Wat zijn de mogelijke nadelige
effecten van polyfarmacie? Ongewenste effecten door geneesmiddelengebruik
zijn nu al de vijfde doodsoorzaak in het Verenigd Koninkrijk (2).
Er is een verband gevonden tussen het aantal ingenomen geneesmiddelen en het
optreden van interacties en bijwerkingen. Daarnaast leidt polyfarmacie tot
een belangrijke directe en indirecte meerkost (3). Ten
slotte is er een gebrek aan studies over de juiste effecten, ongewenste
effecten en interacties bij polyfarmacie: een trein die voortraast in de
mist. |
|
|
|
Polyfarmacie bestaat al lang
en wordt dikwijls veroorzaakt door het niet opvolgen van aanbevelingen. Zo is
er onder meer het overmatig of onzorgvuldig voorschrijven van medicatie bij
bejaarden. Onlangs werden de Beers-criteria aangepast, die heel wat farmaca
ontraden bij deze leeftijdsgroep (4). Reeds jaren bestaan
er methodes om overbodige en zelfs gevaarlijke geneesmiddelen, vooral
benzodiazepines en neuroleptica, af te bouwen bij bejaarden. Het is
merkwaardig dat hier in de artsenopleiding en navorming zo weinig over
gesproken wordt. Toepassen van EBM kan polyfarmacie intomen en zelfs
verminderen (5,6). |
|
|
|
Desondanks zijn er heel wat
factoren die polyfarmacie ook in de toekomst tot één van de grote uitdagingen
maken voor arts en patiënt. Vanzelfsprekend is er de toenemende vergrijzing,
met de daarbijbehorende polypathologie. Opvallend is de stijging van het
gebruik van medicatie ter beïnvloeding van risicofactoren zoals
antihypertensiva, aspirine, maar ook de toename van het aantal voorschriften
voor lipidenverlagende middelen en ACE-inhibitoren aan gezonde,
asymptomatische bejaarden om het cardiovasculaire risico te verminderen. Men
baseert zich daarbij dikwijls op industriegestuurde studies waarbij bepaalde
farmaca net iets beter scoren dan placebo. Een winst op gelijk welk eindpunt
dient als argument om massaal gebruik van het product te promoten. Het gaat
echter dikwijls om bescheiden effecten ten koste van zeer grote inspanningen.
Zo moeten bijvoorbeeld in de PROSPER-studie 48 zeventigplussers met verhoogd
risico gedurende drie jaar behandeld worden met pravastatine om bij één van
hen een ‘fataal of niet-fataal cardiovasculair accident’ te
vermijden (7). Meer dan vier jaar aan 54
hoogrisicopatiënten perindopril toedienen bovenop hun gewone medicatie geeft
bij één van hen één ‘event’ (nietfataal infarct, cardiale sterfte
of plotse dood) minder (8). In geen van beide studies is er
winst op de totale sterfte. |
|
|
|
Sommige auteurs stellen voor
om aan elke 55-plusser een combinatiepreparaat te geven van een
thiazidediureticum, een ACE-inhibitor, een β-blokker, een aspirine, een statine én foliumzuur: de
‘polypil’ (9). De vraag is of de studies over
beïnvloeding van risicofactoren inderdaad tot polyfarmacie moeten leiden en
bijvoorbeeld tot het gebruik van de polypil? Daarover gaat een kritisch
editoriaal in de British Medical Journal (10): “welke winst levert het zesde
geneesmiddel op voor coronair hartlijden? Niet veel: richtlijnen moeten ook
de kosteneffectiviteit in rekening brengen.” In datzelfde
editoriaal wordt een studie besproken over de meerwaarde van farmaca in de
aanpak van cardiovasculair risico bij hypertensie (11). De
auteur berekent de kosten om patiënten met een vijfjaars coronair risico van
10% gedurende vijf jaar te behandelen om één coronair accident te voorkomen.
Voor aspirine is dit 5 250 euro, voor antihypertensiva 46 200 euro, voor
clopidogrel 90 000 euro en voor simvastatine 92 100 euro. Geen enkel
gezondheidssysteem heeft de mogelijkheden om iedere test en ieder
geneesmiddel dat een minimaal effect heeft, terug te betalen. De soms
minimale winst in studies over de beïnvloeding van risicofactoren moet
gekaderd worden in de discussie over keuzes in de zorg. Met de beperkte
budgetten waarmee ook de rijke landen moeten werken, lijkt terugbetaling van
alle farmaca met bewezen maar beperkt effect, een utopie. Minerva stelt zich
onder meer tot doel om studies te kaderen en via duidingen en aanbevelingen
een afgewogen keuze mogelijk te maken. EBM hoeft dus niet automatisch tot
polyfarmacie te leiden. M. De Meyere,T. Christiaens, M. Bogaert |
Literatuur
|
1. Veehof L, Haaijer-Ruskamp
F, Meyboom-De Jong B. Polyfarmacie bij ouderen. Een probleem? Huisarts Wet 2001;44:446-9.
2. Ferchichi S, Antoine V. Appropriate drug prescribing in the
elderly. Review. Rev Med Interne 2004;25:582-90. 3. Fu AZ, Liu GG, Christensen DB. Inappropriate medication use and
health outcomes in the elderly. J Am Geriatr Soc 2004;52:1934-9. 4. Fick DM, Cooper JW, Wade WE, et al. Updating the
Beers criteria for potentially inappropriate medication use in older adults. Arch Intern Med 2003;163:2716-24. 5. Bogaert M, Maloteaux JM.
Verantwoord gebruik van benzodiazepines. Folia Pharmacotherapeutica 2002;29:
82-90. 6.
Graves T, Hanlon J, Schmader K, et al. Adverse events after
discontinuing medications in elderly outpatients. Arch Intern Med 1997;157:2205-10. 7. Lemiengre M.
Cholestrerolverlagende therapie anno 2004. Minerva 2004;3:29-31. 8. EUROPA
studie. Transparantiefiche. Aanpak van stabiele angor. BCFI, september 2004. www.bcfi.be 9. Fahey T, Brindle P, Ebrahim S. The polypill and cardiovascular
disease. BMJ 2005;330:1035-6. 10. Warburton R. What do we gain from the sixth coronary heart disease
drug? BMJ 2003;327:1237-8. 11. Marshall T. Coronary heart disease prevention: insights from modelling
incremental cost effectiveness. BMJ 2003;327:1264-8. |
|
Met dank aan Tine Strobbe een Anneleen
Tansens voor hun scriptie: Polyfarmacie bij bejaarden: een noodzakelijk
kwaad? Universiteit Gent, 2005. |